Oktober 1992
Met wat familieleden verblijf ik een guesthouse op Banda-Neira op de Banda Eilanden in de Molukken. We zijn van Jakarta naar Ambon gevlogen. Hebben daar overnacht en zijn toen met een klein vliegtuigje van Ambon naar de Banda Eilanden gevlogen, maandagmorgen heel vroeg in de ochtend. Het vliegtuigje vloog laag over zee en passeerde talloze kleine eilandjes alvorens we landen op Banda-Neira, het hoofdeiland van de Banda Archipel. 
We worden opgewacht door neef Wim van den Broeke en naar ons guesthouse gebracht. Na de omgeving rond het guesthouse verkent te hebben en het avondeten daar verorberd te hebben gaan mijn familieleden al slapen. Ik voel me nog fris en ben nieuwsgierig naar het ‘nachtleven’ op Banda Neira! Ik vind het zonde om al te gaan slapen.
Ik besluit daarom alleen een wandeling te maken over het eiland.
De maan beschijnt het eiland als een grote lichtspot. Het silhouet van de vulkaan de Gunung Api (‘vuurberg’) tekent zich af tegen de zwarte hemel. Alle perkenierswoningen, het kerkje, het schooltje, het hotel van Des Alwi, worden door die grote heldere maan beschenen, alsof ik geleid wordt door een magische hand. ‘Ga die straat in! Ga daar om de hoek!’ De tropenwarmte is nog steeds voelbaar en het geluid van de talloze insecten is overal hoorbaar en geeft een gevoel alsof je in trance rondloopt. Op de hoeken van de kleine straatjes van Banda Neira zitten vrouwen hun sieraden te verkopen bij het licht van gaslantaarns en kaarsen. Af en toe hoor ik iemand tegen mij roepen: “Hello Mister Van den Broeke, where are you going to?” , zonder dat ik in de schemerte kan onderscheiden waar die stem vandaan komt.
Ik realiseer me dat door die straatjes talloze generaties Van den Broeke´s vanaf de 17e eeuw tot nu toe rondgelopen hebben. Perkenierszonen en dochters en hun ouders. Al die eeuwen op Banda had de familie daar nootmuskaatplantages op verschillende eilanden van de Banda Archipel. Vooral op Puloe Ay en Lonthor. Die nootmuskaat was vooral in de 17e en 18e eeuw een zeer kostbaar goed en bracht veel geld op. De VOC transporteerde de nootmuskaat naar Amsterdam en de perkeniers (eigenaren van de plantages) ontvingen daarvoor een goede prijs.
De oude perkenierswoningen en de graven van de perkeniers zijn er nog, maar zijn nu monumenten geworden. Vele tropische struiken en planten overwoekeren de oude woningen en tasten de muren aan die op veel plaatsen al afgebrokkeld zijn. In een van de woningen groeide mijn opa Gerrit van den Broeke(zie foto links) op samen met zijn broer en zusjes. Mijn dierbare tante Dé was één van die zusjes.
Door de straatjes van Banda Neira zijn ze als kind heel wat heen-en -weer gelopen. Wandelen naar het schooltje, zwemmen in de Banda Zee. Die kinderen hebben daar een heerlijke jeugd gehad in een prachtige natuur.
Ik loop langs het gebouwtje waar destijds Mohammed Hatta en Sutan Sjahrir (zie foto rechts) verbannen waren. Hatta werd later Vice-President in het kabinet van Soekarno en Sjahrir werd journalist/schrijver. In ‘Indonesische overpeinzingen` beschrijft hij op lyrische wijze het mooie Banda. De Hollanders hadden hem naar Banda verbannen, maar hij had ´t er reuze naar z´n zin. Ook Rudy Kousbroek was verrukt van de Banda-eilanden. Vaak stelde hij dat als hij droomde van Indië altijd Banda voor zijn geestesoog kwam als decor van het oude Indië uit de tijden van Tempo Doeloe. Samen met zijn goede vriend Remco Campert heeft Kousbroek nog gezwommen in de Banda Zee.
Nu loop ik daar als verre nazaat van die perkeniersfamilie die daar daar zo lang vertoefde. Wie had ooit gedacht dat de familie via Java uiteindelijk in Nederland zou belanden? Feitelijk ben ik, na al die eeuwen, de eerste Van den Broeke die in Nederland is geboren. Zo ver, aan de andere kant van de aardbol. Het heeft alles van doen met de Tweede Wereldoorlog en de dekolonisatie van Nederlands-Indië, nu Indonesië geheten, dat we nu in Nederland leven.
Ik wandel door en komt uit bij Fort Belgica, gebouwd door de VOC om Banda te beschermen tegen vreemde naties die het op de nootmuskaat gemunt hebben. De VOC wilde hun zo meedogenloos verworven nootmuskaatmonopolie op Banda niet verliezen. Vanaf fort Belgica zie ik aan de overkant van de baai het langwerpig eiland Lonthor liggen.
Daar op Lonthor ligt de plantage Groot Waling waar nazaten van onze familie nog steeds de nootmuskaatplantage beheren.
De plantage op zo´n historisch beladen plek. Die week bezocht ik Wim van den Broeke, mijn achterneef waarmee ik correspondeerde, twee maal. Een zeer hartelijk mens die ons graag meevoert over zijn mooie plantage en uitgebreid vertelt van het oogstproces van de nootmuskaat.
Zijn vrouw trakteert ons op een heerlijke rijsttafel. Vanaf de veranda van hun plantagewoning Groot Waling zie je aan de overkant van de baai Banda-Neira liggen met het fort Belgica.De plantage is bezocht door Prins Bernhard en voormalig Minister Pronk.
Op de foto schudt Prins Bernhard Wim van den Broeke de hand. De vrouw van de Ned.Ambassadeur in Indonesië kijkt lachend toe.
Langzaam wandel ik terug naar ons guesthouse om te gaan slapen. Als ik in m´n bed lig hoor ik nog steeds het gegons van insecten. Ik val in slaap en droom dat ik alleen in een sloep zit en van ver de Banda-eilanden nader. Ik zie de Gunung Api en de VOC-forten in de verte en de vele nootmuskaatbomen op de eilanden. Ik kom langzaam dichterbij met mijn sloepje en zie aan de wal mijn indische opa en oma en tante Dé en mijn ouders naar mij wuiven. Ze staan in helder zonlicht gebaad. Ze wuiven en wuiven, maar het lijkt alsof de afstand tussen hun en mij niet kleiner wordt. Hoe ik ook roei, de afstand lijkt onoverbrugbaar.
Ze lijken onbereikbaar geworden, die wuivende dierbaren in de verte……
Zie ook: http://nl.wikipedia.org/wiki/VOC_op_de_Banda-eilanden
Pingback: Nachtelijke wandeling op Banda-Neira «