Herinneringen aan de periode tussen mijn vijfde en achtste jaar.
In ons huis in de Viviënstraat 39 huisden in die dagen drie marinegezinnen die allemaal uit de oorlog kwamen en waar natuurlijk nog veel spanningen aan de orde waren. Als kind ontging me dat allemaal. Ik was gelukkig met het leven zoals we dat hadden. We woonden op de begane grond van het herenhuis. Leefden in de voorkamer en in de achterkamer sliep ik met mijn ouders. Mijn zus had een eigen kamertje elders in het huis van drie verdiepingen. Het was de tijd van de wederopbouw. De mensen hadden maar een bescheiden inkomen en het leven in Nederland was nog sterk beïnvloed door de kerken.
Het Statenkwartier was een mooie woonbuurt, niet ver van Scheveningen en daar heb ik de belangrijkste periode van mijn jeugd doorgebracht.
Op een dag werden mijn amandelen geknipt bij een KNO-arts op het Frederik Hendrikplein. Vaag herinner ik me nog de donkere praktijkruimte en de grote spiegel op z´n hoofd. Na het knippen kreeg m´n moeder de instructie dat ik regelmatig ijsjes moest eten om mijn gehemelte koud te houden, zodat de wond van de ingreep snel zou dichten.
Het was in 1953.
Ik zie nog voor me dat ik in de voorkamer van ons huis zo met een ijsje in m´n mond zit, terwijl de radio aan staat. Op de radio wordt verteld dat er in Zeeland een grote overstroming plaatsvindt en honderden mensen in het koude water verdronken zijn. Koningin Juliana en Prins Bernhard reizen af naar Zeeland. Ik zie nog voor me hoe het licht van de straat de kamer in kwam en mijn ouders geschrokken waren van dit onheilsbericht. Een nationale ramp!
Ongeveer in dezelfde periode hamsterde mijn moeder voedsel in de kelder, omdat de oorlog in Korea was begonnen en er algemeen een vrees was voor een Derde Wereldoorlog. Mijn ouders hadden de Tweede Wereldoorlog aan den lijve ondervonden en vreesden grote problemen. Later vond ik ook emigratiepapieren waaruit bleek dat mijn vader plannen heeft gehad om in die periode met het gezin te emigreren naar Amerika. De papieren waren weliswaar helemaal ingevuld, maar uiteindelijk nooit verzonden…..
(hoe was het leven gelopen al ze wél waren verzonden?)
Toen ik vijf jaar was ging naar Kleuterschool De Klaproos in de Van Hoornbeekstraat. De kleuterschool zat in hetzelfde gebouw als de lagere school. Ik ruik nog de geur van de kleibakken daar en zie nog voor me dat er een houten plankje met veters was, waarmee je zelf kon leren de veters van je schoenen vast te maken.
In de klassen stonden hele grote zwarte kolenkachels in de hoek. Elke dag moesten kinderen om beurten helpen ijzeren rekjes met kleine flesjes melk de klas in te brengen. Op de flesjes zaten zilveren doppen. Meestal was de melk na verloop van tijd heel lauw geworden en vond ik dat niet echt lekker. Ik herinner me dat ik lopend vanaf huis in de Viviënstraat naar de Van Hoornbeekstraat, waar de school stond, eigenlijk meestal liep te zingen. Ik was een tamelijk opgewekt en onbezorgd kind.
Toen ik zes jaar werd ging ik naar de eerste klas van de Lagere School. Juffrouw Verhagen was de juf waarvan ik de eerste drie jaar les zou krijgen. We moesten al die drie jaar altijd in de schoolbankjes met de handen op de rug zitten. Had je ´n vraag dan mocht je één vinger opsteken. Moest je naar de WC dan stak je twee vingers op. We schreven alleen met kroontjespennen. Ballpoints waren uit den boze. We leerden mooi schuin schrift. In de tweepersoons schoolbankjes zaten ook kleine inktpotjes. Met een inktlap voorkwam je vlekken in je schrift. In die klas leerde ik m´n beste vriend van die lagere schooltijd kennen, die schuin tegenover me in de straat woonde. Zijn moeder werd de beste vriendin van mijn moeder. De juf noemde hem ´Droomkoninkje´ (naar het boek van Herman Heijermans) omdat hij zoveel uit het raam zat te staren.
Omdat ik op een openbare school zat, maar ons gezin katholiek was, vonden mijn ouders dat ik op kathechesatieles moest. Dat vond eenmaal per week plaats in een nonnenklooster naast de Antonius Abtkerk a/d Scheveningseweg. Zuster Dionisia was een klein nonnetje op leeftijd met een heel gebogen rug. Ze vertelde me van alles over het katholiek geloof en bereidde me voor op m´n Eerste Heilige Communie en later het Vormsel. In die tijden ging ons gezin elke zondag naar de Antonius Abtkerk en hadden we ook eigen plaatsen voor in de kerk vlakbij de kansel, waar de preken werden gehouden, die altijd veel indruk op me maakte.
De hele sfeer in de kerk vond ik mooi. Het zonlicht dat door de glas-in-loodramen naar binnenkwam bescheen het altaar waar de priester met de misdienaars de misviering deed. Op de muren was de kruisweg te zien en de kerk zat vol beelden en versieringen. Het geheel maakte veel indruk op mij. Met de hoogmis werd er gezongen en geurde de wierook door de kerk.
Hoogtepunt was de kerstviering. We gingen dan altijd middernacht naar de kerk die stampvol was en waar in de zijgangen veel stoelen bijgezet waren om iedereen maar een plek te geven. Na die viering aten we thuis warme saucijzenbroodjes en kerststol en was traditie dat mijn ouders ons een nieuwe missaal gaven of iets anders ´stichtelijks´. We gingen dan pas tegen een uur of drie slapen.
Ik werd ook welp en werd lid van de Baron van Pallandtgroep aan de Haringkade in Scheveningen, samen met mijn beste vriend van de Lagere School en nog wat andere jongens uit mijn klas. (Op de foto ben ik de 2e jongen van rechts in de onderste rij)
Ik las de vertaling van ´Scouting for Boys´ van Lord Baden Powell, de stichter van de verkenners en Jungle Book van Rudyard Kipling waarop de welpenorde is geïnspireerd. Met de verkenners gingen we ‘s zomers op kamp en vele zaterdagmiddagen kon je me daar bij de welpen treffen. Vaak als ik dan een spel deed in de duinen of bossen in Den Haag en Scheveningen, dacht ik vaak ´Als m’n ouders me toch zo konden zien!’ Het was allemaal een hoop avontuur, terwijl thuis alles zo veilig en overzichtelijk was. Ik hield erg van dat buitenleven en de sfeer van kampvuren, bossengeur en spannende verhalen aan elkaar vertellen, wat zo hoort bij de verkennerij.
In de straat kwam altijd de bezorger van Het Vaderland, een echte Haagse krant, waar m´n ouders op geabonneerd waren. Die krant geurde zo lekker naar drukinkt. In de zomer hielp ik de bezorger vaak en vond ´t leuk ook ´n krant in al die brievenbussen te stoppen.
Op de achterkant van die krant stond altijd een strip van de Avonturen van Kappie uit Lutjebroek met zijn sleepboot ‘De kraak’ . Ook lazen we thuis de Katholieke Illustratie waar strips van Kuifje in stonden en werd de Sursum Corda bezorgd.
Met de vakantie gingen we meestal naar de Veluwe of Zuid-Limburg per trein. Een auto was er nog niet en reizen naar het buitenland was in die tijd nog niet erg gebruikelijk. Ik weet nog goed dat ik met mijn ouders naar een pension in Lunteren ging tijdens een warme zomer. Het pension lag in een laantje tegenover het bos en was omzoomd door lage buxushaagjes die heerlijk roken. Op een middag in dat pension gingen mijn moeder en zus Anneke even slapen en besloot mijn vader met mij naar het kleine station van Lunteren te wandelen, dat dichtbij was. Dat station maakte grote indruk op mij. De wissels en de spporwegovergang werden in die tijd nog met de hand bediend. Ik zag hoe de stationchef dat allemaal deed, terwijl ik nog steeds de hand van mijn vader vasthield. Ik besloot zelf ´stationchef´ te worden en thuis een treinemplacement op te zetten.
Vanaf dat moment stonden al de verjaardagen en sinterklaasvieringen in het teken van dat treinemplacement. Mijn vader liet een grote rechthoekige zachtboardtafel maken met balkjes eronder waardoor de bedrading doorgevoerd kon worden voor de lampjes die de Fallerhuisjes verlichten. En telkens kwam er een treintje, wagonnetje, rails, seinen of Fallerwoninkje bij. Ik kocht strooisel. Een oom van mijn goede vriend uit de straat kon mooie tunnels en bergen maken van gips en papier-maché en die kreeg ik dan voor op m´n emplacement.
‘s Avonds als de gordijnen dicht waren, deed ik alle lampjes aan op het emplacement en liet ik de lange trein heel langszaam rijden. Met m´n neus hing ik dan vlakboven het emplacement en genoot van de olielucht van het locomotiefje, de vele kleine lichtjes, de poppetjes bij de huisjes. Een fantasiewereld die ik zelf geschapen had! Ik had een locomotief met goederenwagonnetjes erachter en een dieselloc met verlichte restauratiewagons er achter, waarin ‘passagiers’ zaten. Verder had ik twee trafo´s. Eén voor de treinen en één voor het dimmen van de verlichting op het Märklinemplacement.
Uren kon ik doorbrengen met dat emplacement, dat in de serre in de achterkamer van ons huis vast was opgesteld. Telkens werd er weer iets veranderend aan het spoor of aan de indeling. Het was een fantastische hobby.
Op zondagmiddag wandelden we als gezin vaak in de Scheveningse bosjes of zaten we, op mooie zomerse dagen, in de achtertuin. Ik vond het leuk om rozenblaadjes in een potje water te doen, dat ruikte zo lekker en ik kon ook tijden bezig zijn met mijn brandglas om gaatjes in papier te branden. Ik hield van knikkeren of tollen en kon genieten van die prachtige kleuren in kleine knikkers en ‘bonken’. Fascinatie voor kleuren is trouwens mijn hele leven iets bijzonders geweest. Ook associatief. Als ik nu voor een stoplicht sta en intens kijk naar de kleuren van de lampen is er weer dat beeld van dat treinemplacement van vroeger met de talloze seinlampjes, verlichte wagons, etc… Het kind in mij blijft aanwezig!
Rechts een foto met mijn moeder, in de keuken van ons huis in de Viviënstraat.
Op deze fotos ben je precies jouw Bas als jochie. Leuk om te lezen, even lekker terug naar die veilige kindertijd, met als herkenningspunten voor mij de geur van de klei(ik rook hem meteen, die grijze he?) de vieze schoolmelk, de tereintjes op zolder bij mijn tweelingneven en de “binnenlandse” vakanties. Ga door Rick! groetjes Yvon
Leuke reactie Yvon. Dat stimuleert me weer er verder mee door te gaan!
Groetjes ook aan Fred,
Rick
Je moet zeker doorgaan. Het is heerlijk om te lezen, jouw kinderjaren zijn zoals de mijne en dus sweet memories en zooooooooooo herkenbaar. Realiseer me nu dat we elkaar al zo’n 58 jaar kennen……….! Ilona
Leuk dat ‘t zo herkenbaar voor je is, Ilona. Ik vind ‘t zelf ook wel mooi om nu die periode ‘s aan het papier toe te vertrouwen. ‘t Gekke is dat als je je concentreert op die periode van vroeger, alles weer naar bovenkomt.
Groetjes ook aan Frits,
Rick
Pingback: Kinderjaren 1 1948-1954 | Mijmerschrift